11
Amang , Amarah , marah , Amas , mas , Amat, Amat , Amat , Ambah-ambahan ,
Dreigen. Boos . Goud.
Bijzonder , zeer. Bezien , bekijken. Verbieden. Door
verren
afstand naauwelijks
zigtbaar.
Ambaloe, ampaloe ,
Gomlak.
Ambang,
Deur-raam , dorpel , drempel , topzwaar .
Ambar , Ambar , Ambar-ambar ,
Smakeloos , verschaald. Zich ergens bij voegen.
Reukballetje , amber ; vrouwensieraad , bestaande uit kleine voorwerpen.
Ambat , hambat ,
Achtervolgen , inhalen.
Ambatjang, batjang,
Zekere mangga-soort, paarden-mangga, (Mangifera fœtida). Doek , sluijer , riem , gordel.
Amben , Ambien , Ambil ,
Nemen.
Ambing,
Dragen.
Ambles , Amboe-emboe ,
De bonito of bernieter , zeevisch.
Amboel , meng-amboel , Amboer , hamboer ,
Amboh, peng-amboh , Amboh! Ambong, ambon, Ambos , hambos , amboes , Amiel, (Sundaneesch) ,
Verheven zitplaats.
Inzakken , doorzakken.
Wederom stuiten, pruttelen. Drijven. Willen, bewilligen, bemiddelaar. Uitroep van verwondering. Een groot bos hout , schanskorf. Blazen, pompen. Dorpspriester.
Amien , Amier,
Amen.
Amies , hamies ,
Goor, ranzig.
Amô , Amokh ,
Onsterk , verstikt. Woedend uitvaren, moorden, amokhopstand. Ledig.
Ampa, hampa ,
Leidsman, geleider.