4
Mijne jongere zuster maakt beslag voor gebak, Adê saja lagi adon-in koewè.
Deze badplaats is koel, Tampat mandi ini adem.
Hij houdt van hanen-vechten, Dia soeka adoe ajam.
Zij houdt meer van harddraverijen, Dia lebeh soeka adoe koeda.
Roer dat meel goed, Adoek baik-baik tepoeng itoe.
Ai! uitroep van kortstondige pijn, of, schertsender wijs iets, dat daarmede overeenkomt, Adoeh, biejang!
Hij is er reeds over gaan klagen, Dia soedah pigi meng-adoe.
Ar.
Arak, Arak; ronddragen.
Arang, arang kajoe, arang batoe, Kool, houtskool, steenkool.
Arba, harie arba of rebo, Vierde, vierde dag, (Woensdag).
Ari-ari, Baarmoeder, nageboorte.
Arit, Grasmes.
Arti, Beteekenis.
De bruid wordt rondgedragen, Pengantên prampoewan lagi di arak.
De Chinezen drinken veel arak, Orang Tjina banjak minoem arak.
Houtskool is ligter dan steenkool, Arang kajoe lebeh entêng dari arang batoe.
De nageboorte volgt het kind, Ari-ari menoeroet anak.
Dit grasmes is scherp. Arit ini tadjem.
Arba beteekent vierde, Arba arti-nja jang ka-ampat.
Verstaan, Meng-arti.
Uitleggen, Meng-arti-ken.
Begrip, vatbaarheid, Peng-arti-an.
Triomfkoets of draagstoel, Per-arak-an.
As.