Jump to content

Page:De Djoeroe basa Betawi.pdf/19

From Wikisource
This page has been proofread.

3


Breng wat zuur, Bawa atjar.
Dagvaarden, Panggil atjara, (Sita en Dawa).
Roep dien fruitverkooper, en vraag hem of hij ook ramboetan atjê heeft, Panggil toekang boewa-boewa itoe, tanja apa ada ramboetan atjê-nja.
Atjin was vroeger zeer magtig, Negri Atjê dholo besar sekalie.


Ah.

Ahad, Een, Zondag.
Ahoewal, (hal-ichwal), Omstandigheden.

Hij kwam mij al zijne omstandigheden op zekeren Zondag mede deelen, Maka ia datang mengataken segala hal ahoewal-nja pada satoe harie ahad.


Ach.

Achir, Laatst, einde.
Achirat, De andere wereld, toekomend leven.

Hier en hier namaals, Dalem doenieja dan achirat.
In het laatst der dagen, Pada achir djaman.


Ad.

Ada, Zijn, hebben.
Adab, Minzaam.
Adara of oedara, Dampkring.
Adas, adas manis, Vonkel, anijszaad.
Adê, Jongere zuster of broeder.
Adem, Koel.
Adoe, Aanhitsen, aanklagen; laten vechten of rennen.
Adoeh, Uitroep van pijn.
Adoek, Roeren.
Adon, Mengen, beslaan.