2
Ga naar boven, Naik ka-atas.
Er op of er onder, Di-atas atawa di bawah.
Rangschik de stoelen goed, Atoer baik-baik krossi-krossi.
Deze schikking is niet juist, Atoeran ini trada betoel.
Een dobberend vaartuig op zee, Prahoe ber-atoeng di lawoet.
Adj.
Adjaïb, Wonder, wondervol.
Adjak, Uitnoodigen.
Adjal, Stervensuur.
Adjar, Leeren,
Adjie, Leeren. Vorst.
Adjok, Nabootsen, na-apen.
Ik ben niet uitgenoodigd geworden, (om meê te gaan), Saja trada di adjak.
Al de spelen waren zeer wondervol, Segala per-main-an adjaïb betoel.
Het uiteinde van den Sultan is nabij, Soedah dekat adjal-nja Adji Solthan.
Ik zal hem wel (manieren) leeren, Nanti saja adjar!
Hij krijgt onderwijs, hij leert, Dia lagi bel-adjar.
Zijn leeraar onderwijst goed, Peng-adjar-nja meng-adjar betoel.
De leerling volgt zijn onderwijzer, Pel-adjar toeroet goeroe-nja.
Eerst de meester en dan de leerling, Peng-adjar-nja dholo, bahroe moerid-nja.
Zijne kinderen zijn in de leer, Anak-anak-nja lagi meng-adji.
De béo praat ons na, Bêo meng-adjok kita.
Atj.