Page:Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde, LI.pdf/153

From Wikisource
Jump to navigation Jump to search
This page has not been proofread.
138
BIJGELOOF IN DE PREANGER-REGENTSCHAPPEN.

anak sija” (dasr heb je je kind). Deze lezing wijkt dus eenigszins af van hetgeen mij is meegedeeld.

  1. ngesedkeun grw. kesed (Jav.)
  2. Nji Sri of Dewi Sri, de bekende schutsgodin van de rijst.
  3. dihoeroensoeloehkeun van hoeroen, samenbinden en soeloeh, brandhont; dihoeroensoeloehkeun = als brandhout samengebonden en samen verbrand worden, of over één kam geschoren worden (O).
  4. longlongan babari bejak (C).
  5. Noe herang noe ngalenggang noe ngagentjlang, mahal sorangan” bet. ongeveer: „gij blinkende, heldere, lichtende, gij zijt de allerbeste,” en is een lofrede op de rijst.
  6. Sangratoe tjokot oelah satjokot-tjokotna dagoan pamere aing,” is een verzoek, waarschijnlijk aan Nji Sri, om niet van de rijst te nemen, maar te wachten tot daarvan gegeven wordt.