Page:Bijdragen tot de taal-, land- en volkenkunde, LI.pdf/152

From Wikisource
Jump to navigation Jump to search
This page has not been proofread.
137
BIJGELOOF IN DE PREANGER-REGENTSCHAPPEN.
  1. ngĕmbĕng: onder water zetten of, zooals hier: stilstaan van water.
  2. reja anoe diampihan enz”; de bedoeling zal wel zijn: opdat er meer ontvangen dan uitgegeven worde.
  3. adoh (Jav.) = djaoeh.
  4. ngawangkong, praten kletsen (O); Soend. Holl. Samenspr. van Holle en Karta Winata blz, 169 II: „hajang noeloejkeun wangkongan kamari ijeu teja.”
  5. kadjongdjonan zie tonggoj; voortgaan, ook met niets doen, vandaar: indolent, onverschillig.
  6. katiban van Jav. tiba? vallen; katiban kala, getroffen, overvallen door rampen.
  7. bale watangan eig. gebouw, zaal, waar gewogen wordt, nl. de schuld of onschuld van beklaagden.
  8. oendang lajoean; omtrent de watékna van deze getalnaam wordt niets gezegd. De uitdrukking zal wel eene ongunstige beteekenis hebben, want oendang bet. wet, bevel, en lajoe, verkwijnen, verwelken.
  9. tangtang-angin, rijst gekookt in driehoekig gevlochten bamboebladeren.
  10. opak, broos, luchtig, bruin gebak van kĕtanmeel.
  11. borondong, gerooste kĕtan tot ballen samengekleefd door gesmolten arensuiker.
  12. dodol, soort van caramel mou, gemaakt van kĕtan meel arensuiker en ingedroogde klappermelk.
  13. wadjit, koekjes gemaakt van kĕtan (heele korrels), overigens dezelfde bestanddeelen als dodol.
  14. bontjeret, zie béntet (OC), naam van cen zeker insect dat zich ’snachts laat hooren. Het volgt meestal menschen die ‘snachts naar de rivier of andere plaats daar water is zijn geweest, om hunne behoefte te doen en wel omdat, zooals het volksgeloof wil, zijn jongen, die in het water zouden leven, mee opgeschept werden bij het zich reinigen.
Om het insect te verjagen werpt men er veelal naar met cen weinig water, onder het uitspreken van de woorden: tah